Negatieve perceptie
De term “auteursrecht” is de laatste jaren alles behalve sexy. De ronduit negatieve perceptie van dit begrip wordt steeds meer uitgesproken en blokkeert de gezonde uitbouw van een digitaal zakelijk model ondersteund door een stevig wetgevend kader.
De fratsen van SABAM en het gebrek aan transparantie bij de meeste beheersvennootschappen hebben dit proces nog versneld. Op onze eigen Reprocopy en Copiepresse (geschreven pers) na bestaan de meeste beheersvennootschappen uit een amalgaan van rechthebbenden wiens diverse eisen leiden tot ingewikkelde vergoedingscalculaties en de noodzaak tot het aanhouden van stevige reserves voor het geval er nieuwe rechthebbenden komen aankloppen of om niet te moeten terugvorderen in geval van toekomstige betwistingen.
In de Angelsaksische wereld hebben ze ten minste nog de troost dat het woord “auteur” niet in de term voorkomt. “Copyright” als term suggereert ten minste niet dat alle geld naar de auteur zou moeten gaan. Bij het woord ‘auteursrecht’ lijkt het alsof marketing en verkoop, uitgeven, personeelsbeheer, management, drukken en het aanbieden van digitale innovaties aan de consument, distributie, nutvoorzieningen, bandbreedte, opleiding en alle andere activiteiten die een mediabedrijf dagelijks voert er gewoon niet toe doen. Natuurlijk gaat niet alle geld naar de auteur, hij wordt zoals ieder ander betaald voor de waarde die hij toevoegt.
Komt daar nog bij dat de term “recht” in het woord “auteursrecht” meestal geïnterpreteerd wordt in de zin van “heffing”. Een tax of belasting, kortom iets wat je moet betalen of dat in elk geval doorgerekend wordt aan de eindconsument. Vele bedrijven en instellingen maken hier gretig misbruik van door hun factuurbedrag op te drijven door toevoeging van de post “auteursrechten”. Natuurlijk liefst zonder uit te leggen, hoe of voor wie of wat die verschuldigd is.
Tenslotte wordt het auteursrecht als concept graag verketterd door technologiegoeroes, piratenpartijen en singulariteitsfanaten als zijnde een groot gevaar voor het vrije internet, waar alles gratis en anoniem toegankelijk dient te zijn en iedereen mag doen wat hij wil tot meerdere glorie van de technologische suprematie en in afwachting van een utopische “brave new world” met processoren die het goddelijke benaderen.
Het gaat niet om auteursrecht
De digitale kenniseconomie is in se niet anders dan eender welke andere economie. Dat heeft de internetbubbel van 10 jaar geleden wel bewezen. Je wordt vergoed voor de waarde die je toevoegt, de wetten van vraag en aanbod, schaarste en prijselasticiteit gelden onverkort.
Alleen het juridisch arsenaal ziet er wat anders uit. Je kan niet gewoon kopen of verkopen, iets in eigendom hebben of uitlenen aan je buur. In de digitale economie gaat het om de toelating om iets al dan niet te doen. Wij vertalen dat al jaren verkeerdelijk door er de term “auteursrecht” op te kleven, maar het gaat om veel meer dan dat.
Het “auteursrecht” regelt alleen de al dan niet toestemming van een “auteur” om een werk te verspreiden of te kopiëren. Of een consument een persartikel mag uitprinten, of een zoekmachine een website mag indexeren en cachen, of een monitoringdienst links van nieuwssites mag doorverkopen, of een nieuwssite zich mag beperken tot het weergeven van titels en links naar andere sites, of een kabelmaatschappij de reclame bij programma’s in uitgesteld kijken mag laten doorspoelen, of een amateur een foto van AFP van een nieuwssite mag plukken en op zijn Facebook wall posten, dat heeft met veel meer dan alleen auteursrecht te maken.
Wat je wel en niet mag doen in een digitale economie heeft naast auteursrecht en naburige rechten te maken met databankenrecht, wetgeving inzake marktpraktijken, merkenrecht, burgerlijk recht en handelsrecht in het algemeen en vooral heel veel verbintenissenrecht. Of je al dan niet de toestemming hebt om iets te doen zal immers blijken uit allerhande contractuele termen en algemene voorwaarden die aan je handeling voorafgaan. Meestal is het een keten van contracten.
Een journalist kan bijvoorbeeld een contract tekenen dat een uitgever het recht geeft om een tekst te publiceren op een site. De uitgever zet er een eigen titel boven, verandert de lay-out, voegt daar zijn merk aan toe, positioneert het op een specifieke plaats op de site, zet er advertenties langs, voegt er een aangekochte foto aan toe, voorziet social sharing knoppen, en voorziet tal van beperkingen in zijn algemene voorwaarden. Een zoekmachine pikt de link op, indexeert te tekst, publiceert de titel, voorzien van een automatische samenvatting en de door de uitgever aangekochte foto, en voegt daar nog een aantal “tags” aan toe om het geheel voor de gebruiker beter te duiden. Een gebruiker pikt tenslotte te foto op, download die op zijn PC en publiceert deze op zijn Facebook wall, waarna dit laatste bedrijf nog wat graantjes meepikt van de eyeballs die de advertentie op deze pagina oplevert.
Het auteursrecht van de schrijver van het oorspronkelijke artikel heeft daar nog maar erg weinig mee te maken. Het gaat erom of de persoon of het bedrijf in kwestie op het juiste moment in de keten de juiste toestemming heeft om iets te doen. Het gaat met andere woorden om LICENTIES.
Licenties regelen de digitale economie
Licenties zijn de motor van onze digitale economie. We moeten er dringend mee stoppen om alles te reduceren tot het pejoratieve concept van “auteursrecht”. Het gaat erom of iemand een licentie heeft om iets te doen. Het Latijnse woord “licere” betekent “toegestaan zijn” en is al meer dan twee millennia lang een vertrouwd begrip in onze samenleving. Een bouwvergunning is een licentie, er zijn licenties om sterke drank te schenken in cafés en vislicenties. Word, Excel of Powerpoint zouden nooit bestaan hebben zonder softwarelicenties.
Consumenten genieten van wettelijke licenties zodat ze van overheidswege de toestemming hebben om te fotokopiëren, muziek op DVDs zetten en zo voort. Waar de overheid geen wettelijke licentie voorzien heeft moet er dus een contractuele licentie zijn. Het kan volstaan dat een website in haar algemene voorwaarden bepaalde acties toestaat om gedekt te zijn en dat is meestal het geval voor particulieren. Voor bedrijven geldt de regel dat ze contractuele licenties moeten afsluiten en deze licenties moeten over heel de contractuele keten respecteert worden. Een bedrijf sluit een licentie af met de voorafgaande speler in de waardeketen en ieder speler kan niet meer toestaan dan wat hem zelf is toegestaan. Als mijn licentie mij niet toestaat om iets publiekelijk te publiceren dan kan ik dit als licentiegever ook niet toestaan aan een ander.
Beheersvennootschappen geven dus licenties en innen helemaal geen auteursrechten. Reprocopy zou dus beter een andere naam krijgen. Iets met Vlaams en licenties erin. Alle voorstellen zijn welkom.
De PR campagne die we in 2013 willen voeren, dient zich dus niet te richten op “auteursrecht” of “copyright”. Het gaat erom journalisten en andere mediaprofessionals, politici en beleidsvoeders, bedrijfsleiders en al onze lezers en luisteraars en kijkers een warm te maken voor licenties, de nieuwe digitale wijze van zaken doen.
Al wie een mooier woord heeft voor licenties is van harte welkom. De technologiesector doet het veel beter als het om sympathieke woorden gaat. Na “Piet Piraat” en Veronica is het moeilijk om uit te leggen dat een piraat iets slechts is en het woord “cookie” is nog zo’n voorbeeld. Bij “delete cookies” komt bij ieder van ons het inwendige kind immers in opstand. Als we de toestemming om gebruik te maken van het resultaat van onze toegevoegde waarde een sexy bijklank of een kinderlijk mooie naam kunnen meegeven zijn we vertrokken. Als dat niet te vinden is, zullen we het houden bij droge objectieve zakelijkheid en vragen we voortaan of u hiervoor een licentie hebt.
Ik kijk uit naar uw suggesties!